'Zullen we dat tafeltje aan het raam nemen met uitzicht op het Kattengat?' vroeg Simon. 'Of wil je op het terras?'
'Buiten lijkt me wel lekker met dit weer.'
'Zin in wijn?' vroeg hij.
Ik knikte. We namen tegenover elkaar plaats en Simon bestelde een fles rode wijn. We keken elkaar onderzoekend aan. Er hing een vreemde spanning tussen ons.
'Vertel eens Simon hoe is het jou vergaan na dat voorjaar 1969. Als ik je zo zie in je keurige pak en je gepoetste schoenen heb ik niet het idee dat ik met een bouwvakker te maken heb. Ben je keurig getrouwd, heb je kinderen? Laten we netjes het clichéplaatje afwerken', zei ik op licht ironische toon.
Hij keek enigszins verstoord en had duidelijk geen zin om er over te vertellen.
'Ik ben advocaat.'
Van de duivel, schoot het door me heen.
'Mijn specialisatie is strafrecht.'
Zeker van louche zaakjes, was mijn tweede duistere gedachte. Waarom nou meteen zo negatief.
'Verder ben ik getrouwd met Pia en heb een dochter. Mijn zoon, die ook rechten heeft gestudeerd, treedt in de voetsporen van zijn vader.'
'En je vrouw is eh… laat me even denken… officier van justitie.'
Het was als een wrang grapje bedoeld. Simon veerde overeind, keek me onderzoekend aan en zei oprecht verbaasd: 'Nou nee, dat niet helemaal maar het ligt wel in het verlengde. Ze is, of eigenlijk liever gezegd, ze was griffier bij de rechtbank maar hoe kom je daar zo bij?'
'Weet ik niet, ik zei maar wat, het ligt enigszins voor de hand. Nog steeds je eerste huwelijk, Simon?'
'Jawel, wis en warempel,' zei hij quasi plechtig.
Zo zou Isis het ook gezegd kunnen hebben, schoot het door me heen.
'In m’n vrije tijd klus ik, ik ben weliswaar geen timmerman maar timmer graag aan de weg,' grapte hij 'en luister nog steeds naar: Lou Reed, Pink Floyd, Bob Dylan en Crosby Stills Nash and Young. Je weet wel onze muziek van toen,' voegde hij er grinnikend aan toe. 'Ik heb nog steeds affiniteit met het verleden. Die drie dagen samen met jou ben ik nooit vergeten. Eerlijk gezegd ben ik mij jou blijven herinneren als die bijzondere meid met die markante kop.'
Hij keek me aan alsof hij naar een beeldhouwwerk keek, zijn hoofd wat scheef, ieder detail in zich opnemend. Ik werd er bijna verlegen van. 'En dan jouw bruine en blauwe oog, zo kenmerkend. Ik heb daarna nooit meer van die mooie ogen gezien.' Hij pauzeerde even en keek me geamuseerd aan. Het klonk oprecht. 'En jij Attila, hoe is jouw leven geweest?'
Het leven heeft me een pracht van een dochter gegeven waar jij de verwekker van bent, dacht ik. Ik was lichtelijk aangeslagen door zijn openhartige ontboezemingen maar ik herstelde me gauw.
'Ik heb een dochter Isis, een schoondochter Marjolijn en een papegaai die Papa heet.'
'Isis?'… zachtjes zong hij: 'I married Isis on the fifth day of May.' Zijn blik kreeg iets bedachtzaams: 'Hoe oud is Isis?'
Deze vraag had ik kunnen verwachten. Zou ik er voor die ene keer een jaar vanaf liegen. Ik, die per definitie sta voor oprechtheid. Het is niet mijn stijl maar de tijd was nog niet rijp, het moment van openbaring nog niet aangebroken. 'Negenentwintig,' bracht ik mijn leugentje om bestwil licht kleurend naar buiten.
In een mum van tijd zag ik hem de jaren tellen. Hij ademde zichtbaar opgelucht. 'En wat ben jij geworden, actrice?' Hij schonk het glas nog eens vol.
'Ik heb er zesentwintig jaar trouwe dienst opzitten als redactrice bij maandblad Annalen en er mijn jubileum gevierd. Nu ben ik met permanent ziekteverlof door wat aanvankelijk een lullig ongelukje leek. Op een nacht liep ik in het donker naar de keuken en trapte met mijn grote teen in een muizenval die ik nota bene zelf had gezet. Ja, wie een kuil graaft voor een ander… Op het eerste gezicht leek het een onschuldige kneuzing. Op den duur is het een eigen leven gaan leiden zowel met een korte als een lange ij,' vertelde ik luchtig. 'Het bot is gaan ontsteken en scleroseren zoals dat heet. Ik heb er een chronisch pijnprobleem aan over gehouden,' voegde ik er wat bitter aan toe.
Wat kregen we nou zeg, waarom vertelde ik hem dit nu meteen. Dit was toch niet de essentie van het geleefde leven. 'In Annalen heb ik me goed kunnen uitleven destijds. Levensbeschouwelijke onderwerpen heb ik kritisch aan de kaak gesteld en feiten geanalyseerd. Vooral toen eind jaren zeventig de new age in opkomst was. Een afgrijselijker eigentijds gebeuren kun je je toch niet voorstellen met al die zogenaamd verlichte personen die jou, met al hun stellingen, eens even zullen vertellen hoe het allemaal zou moeten zijn. Al die quasi therapeuten, alternatief of niet. Lichaamswerk, aura’s, healing, reading, teruggaan naar je kindzijn, thuiskomen bij jezelf, opgaan in het Al, zweten in een hut. Geloven en vertrouwen, nu eens niet in een God, maar in jezelf. Eerst je ego afbreken en dan weer opbouwen. Hypnotherapie en regressie: de schuld van je ouders, van je slechte jeugd of het trauma van het vorige leven. Hoe verzint men het. En dan al die goedgelovigen, die…'
Ik onderbrak mezelf, het leek wel een exposé. 'Ja, je ziet wel Simon ik was een enigszins bevlogen persoon.' De laatste zin sprak ik bijna toonloos uit. 'Als je mij zou vragen, wat is het belangrijkste in het leven, zeg ik autonomie, empirisch onderzoek, zelfreflectie en een groot relativeringsvermogen.'
Ik keek hem vorsend aan. 'En jij Simon, ben jij altijd trouw gebleven aan jezelf?'
Hij liet zijn blik op me rusten alsof hij zich op heterdaad betrapt voelde. Ik kreeg de indruk dat deze vraag hem nooit eerder was gesteld. Waarschijnlijk kon je in die advocatuur niet trouw aan jezelf zijn. Ik had weinig op met dat wereldje. Eigenlijk had ik nog nooit van een rechtschapen advocaat gehoord. Doorgaans vond ik het droogstoppels van het zuiverste water en zo corrupt als de pest.
Hij ging rechtop zitten: 'Eerlijk gezegd, Attila, zijn dat zaken waar ik nooit zo bij stilsta. In mijn vak is de grens tussen waarachtigheid en leugen een waarlijk grijs schemergebied. Zoals ik je al zei, ik doe strafrecht en je zult wel begrijpen dat ik, als ik altijd volgens mijn geweten zou hebben gehandeld, het nooit zo ver zou hebben geschopt. Ik ben een pitbull, ik bijt me vast in een zaak en ik zal koste wat het kost m’n gelijk krijgen. Zelfs de grootste misdadigers heb ik vrij kunnen pleiten,' zei hij met onverholen trots.
Ik ging bijna over m'n nek. 'Hoe is het mogelijk Simon, je gaat er nog prat op ook. Criminelen, de grootste rotzakken, die zich schuldig hebben gemaakt aan zware vergrijpen, vrijpleiten. Dat heeft toch niets meer met recht te maken, het is zo krom als wat. Zo'n rechtsbegrip deugt toch van geen kant. Amerikaanse toestanden zul je bedoelen. Hoe kun je het over normen en waarden hebben als onze grote voorbeelden, de overheid, de politiek en het justitieapparaat, of noem het maar de autoriteiten volkomen naast de pot pissen. Zakkenvullers zijn het. Voor miljoenen wordt er gefraudeerd en als er per ongeluk een arm bijstandsmoedertje een paar centen per week bijverdient, wordt ze op de brandstapel gezet. Dan wordt zo’n stumperd op haar uitkering gekort. Razend kan ik me erom maken. En dan ga jij ze verdedigen? Zulke klootz…'
'Attila, je bent nog niets veranderd. Even fel, direct en idealistisch als vroeger.' zei hij met lichte grijns.
Droplul, dacht ik geërgerd. Ik moest me niet zo druk maken. De fles wijn was op. Eigenlijk had ik al teveel gedronken, maar in dit stadium kon me dat niks meer schelen. 'Ik lust nog wel een glas en jij, of moet je weg?'
'Ik moet helemaal niets, ik heb de tijd aan mezelf,' zei hij op nonchalante toon en bestelde nog een fles.
'Dan wordt het nu misschien eens tijd dat wij ons aan elkaar gaan voorstellen. Volgens mij weet jij niet eens mijn achternaam net zo min als dat ik die van jou weet.'
Ik stond op, stak mijn hand uit, knikte licht met mijn hoofd en zei op plechtige toon: 'Attila Romijn, aangenaam.'
Hij ging op mijn scherts in, nam mijn hand en in zijn andere hand een glas wijn en zei minstens even formeel: 'Het genoegen is geheel aan mijn kant. Ik ben blij u wederom ontmoet te hebben vrouwe Romijn. Simon Droogleever is mijn naam.'
Zijn stropdas zat inmiddels scheef en op zijn aanvankelijk vlekkeloze witte overhemd had hij wijn gemorst.
'Dé Simon Droogleever?' vroeg ik verbaasd. Ik had wel verhalen over Drooglever gehoord maar nooit geweten dat hij, Simon…
Hij knikte.
'En Meester Droogleever heeft u zich na onze escapade van destijds ook nog enigszins innerlijk kunnen ontwikkelen of hield het op bij het strafrecht?' vroeg ik spottend.
Hij negeerde mijn laatste vraag. Met een stoïcijns gezicht keek hij me aan en zonder van zijn stuk te raken stelde hij zijn wedervraag: 'Hoe gaat het momenteel met je, Attila?'
Een echte diplomaat, dacht ik. Na een korte pauze ging ik op wat serieuzere toon verder: 'Eigenlijk gaat het met mij niet slecht. Ik heb weinig behoefte aan uiterlijk vertoon gehad dat wil zeggen: ambitie, status, carrière. Het is mij min of meer komen aanwaaien, ik heb daar dankbaar gebruik van gemaakt en ben verder met de levensstroom meegegaan. Bovendien heb ik mijn bestaan altijd sterk gerelativeerd, gekozen voor m'n vrijheid. Diverse mannen zijn op mijn pad gekomen maar ik heb me bewust nooit willen binden. Zelfstandigheid staat bij mij hoog in het vaandel maar creëert tegelijk een vreemd gevoel van eenzaamheid,' voegde ik er wat aarzelend aan toe. 'Ik hou van het leven, ik hou van mezelf, ik hou van m’n gezin en heb altijd gehouden van mijn werk hoewel ik me tegenwoordig op iets anders moet bezinnen gezien mijn niet vrijwillig gekozen situatie. Pijnlijk in dubbelzinnige betekenis maar het zij zo. Het isolement ligt op de loer. Ik doe er alles aan om daar enige verandering in aan te brengen,' zei ik openhartig.
Simon knikte.
Ik kreeg ineens behoefte om het over Franneke en haar begrafenis te hebben. Ik wilde weten hoe hem ter ore was gekomen dat ze dood was. En hoe zat het eigenlijk met mijn doodverklaring. Net toen ik hem daarover wilde vragen, want uit zichzelf zei hij er niets over, onderbrak hij mijn gemijmer en zei met licht dubbele tong: 'We drinken even de fles leeg en dan nodig ik jou uit om een hapje te gaan eten, wat vind je daarvan?'
Ik vond het prima, ik vond alles best op dat moment. De wijn was flink aangeslagen. Ik zou de motor op het Centraal Station laten staan en straks een taxi naar huis nemen.
Ik kwam van het toilet, had me wat opgefrist en kwam overmoedig op Simon afgestapt. Hij had inmiddels afgerekend.
'Blowtje?' lachte ik hem provocerend toe.
Hij trok een netteheren gezicht: 'Maar dat doe je'…
'toch niet meer op onze leeftijd,' maakte ik zijn zin schaterlachend af.
'Kom op Simon, je haat bekrompenheid zoals je vroeger altijd beweerde. Doe niet zo conservatief. Bovendien is het een goed middel voor mijn pijnprobleem. Hoef ik weer een pil minder te nemen,' zei ik laconiek. 'Ik bouw een lekkere joint en die gaan we samen op een bankje aan de Singel oproken.'
Ik wachtte niet eens z'n antwoord af, nam hem bij de hand en huppelde vrolijk langs het Kattengat. Enigszins verdwaasd door de drank en het moment liet Simon zich meesleuren.
Ik had even geen last van mijn teen.
es van essen
Laatste reacties